| |
 |
 |
 |
|
1
. |
LJN: BD0699, Gerechtshof Leeuwarden, BK 119/07 Forensenbelasting
|
| | Datum uitspraak: | 25-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Belasting |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag in de forensenbelasting betreffende het jaar 2004 terecht aan belanghebbende is opgelegd. |
|
|
 |
 |
 |
|
2
. |
LJN: BD0698, Gerechtshof Leeuwarden, BK 93/07 Inkomstenbelasting
|
| | Datum uitspraak: | 25-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Belasting |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ondanks haar schriftelijke afmelding (zie 2.3) ten onrechte toch een uitspraak heeft gedaan. |
|
|
 |
 |
 |
|
3
. |
LJN: BD0697, Gerechtshof Leeuwarden, BK 104/07 Inkomstenbelasting
|
| | Datum uitspraak: | 25-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Belasting |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de werkelijke kosten van zijn gemachtigde betreffende de beroepsprocedure. |
|
|
 |
 |
 |
|
4
. |
LJN: BD0862, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000643-07
|
| | Datum uitspraak: | 29-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Straf |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Verdachte heeft op verschillende data in de periode van 3 juli 2006 tot en met 16 oktober 2006 twee vrouwen en vier (medewerkers/eigenaren) van bedrijven opgelicht. Deze feiten heeft hij gepleegd op momenten dat nog geen 5 jaren waren verlopen sedert hij bij onherroepelijk geworden vonnis tot een gevangenisstraf van 2 jaren en zes maanden was veroo... MeerVerdachte heeft op verschillende data in de periode van 3 juli 2006 tot en met 16 oktober 2006 twee vrouwen en vier (medewerkers/eigenaren) van bedrijven opgelicht. Deze feiten heeft hij gepleegd op momenten dat nog geen 5 jaren waren verlopen sedert hij bij onherroepelijk geworden vonnis tot een gevangenisstraf van 2 jaren en zes maanden was veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Daarnaast heeft verdachte in genoemde periode meermalen een koopovereenkomst en een opdracht tot levering valselijk opgemaakt. Verdachte heeft alle feiten gepleegd na een verkregen proefverlof, van welk proefverlof hij niet was teruggekeerd. Bovendien is hij vier maal eerder wegens het plegen van soortgelijke delicten veroordeeld tot forse gevangenisstraffen. Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren acht het hof niet alleen gerechtvaardigd, maar ook noodzakelijk. Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
5
. |
LJN: BD0716, Gerechtshof Leeuwarden, 24-001196-07
|
| | Datum uitspraak: | 29-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Straf |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Verdachte heeft het slachtoffer in de vroege ochtend van 30 juli 2006 koelbloedig van het leven beroofd. Hij heeft in zijn woning het slachtoffer meermalen in het bovenlichaam gestoken. Verdachte weigert de getuigen de hulpdiensten te laten bellen en zegt dat hij het slachtoffer wil zien sterven. Verdachte heeft het feit erkend, maar legt de verant... MeerVerdachte heeft het slachtoffer in de vroege ochtend van 30 juli 2006 koelbloedig van het leven beroofd. Hij heeft in zijn woning het slachtoffer meermalen in het bovenlichaam gestoken. Verdachte weigert de getuigen de hulpdiensten te laten bellen en zegt dat hij het slachtoffer wil zien sterven. Verdachte heeft het feit erkend, maar legt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen volledig bij het slachtoffer. Het hof acht oplegging van een langdurige gevangenisstraf geboden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De raadsvrouw heeft betoogd dat de maatregel van TBS niet opgelegd dient te worden, mede omdat dit niet wordt ondersteund door de gedragsdeskundigen, en het verband tussen het delict en psychische stoornis te gering is. Het hof overweegt omtrent de bruikbaarheid van het PBC-rapport dat tussen de tijd waarin het onderzoek ter zitting zijn beslag heeft gekregen en de dagtekening van het rapport geen zodanig lange termijn is verstreken dat de inhoud van het advies geacht moet worden niet de toestand van de onderzochte ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting weer te geven. Hoewel de deskundigen zich hebben onthouden van een oordeel over de recidivekans en van een advies omtrent behandeling, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen dat de maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd. Het hof acht de kans dat verdachte opnieuw ernstige (gewelds-)delicten tegen personen zal plegen aanzienlijk op grond van overwegingen die in het arrest zijn opgenomen. Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
6
. |
LJN: BD0810, Gerechtshof Leeuwarden, 24-000054-07
|
| | Datum uitspraak: | 29-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 29-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Straf |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Dit wegens: 1) primair: een poging tot moord op haar echtgenoot in de periode van 1 mei 2006 tot en met 9 juni 2006; 2) primair: de moord op haar moeder in de periode van 1 maart 2006 en 30 maart 2006, 3) subsidiair: mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad, begaan tegen haar moed... MeerVerdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Dit wegens: 1) primair: een poging tot moord op haar echtgenoot in de periode van 1 mei 2006 tot en met 9 juni 2006; 2) primair: de moord op haar moeder in de periode van 1 maart 2006 en 30 maart 2006, 3) subsidiair: mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad, begaan tegen haar moeder, meermalen gepleegd in de periode van 6 juli 1994 tot en met 31 december 1996. Feiten 1 en 2 heeft verdachte gepleegd door de slachtoffers het (sterk) bloedverdunnende medicijn Marcoumar toe te dienen. Met betrekking tot feit 3 subsidiair: Anders dan de raadsman heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de verjaringstermijn 12 jaar bedraagt, aangezien zich de strafverzwarende omstandigheid van artikel 304 Sr voordoet. Met betrekking tot feit 1 primair: De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Hij heeft aangevoerd dat met name niet kan worden bewezen dat verdachte de dood van haar man heeft gewild. Hert hof overweegt dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van haar man dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat zij de aanmerkelijke kans op zijn dood heeft aanvaard. De enkele mededeling van verdachte dat zij haar man niet dood wilde maken, levert niet een dergelijke contra-indicatie op. Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Immers, het misdrijf is niet voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Gelet op de omstandigheden van het geval is het optreden van verdachte niet zodanig geweest dat dit naar aard en tijdstip geschikt was het intreden van het gevolg te beletten, aldus het hof. Met betrekking tot feit 2: De raadsman heeft gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van dit feit, aangezien het causale verband tussen de toegediende medicijnen en het overlijden niet onomstotelijk vaststaat en het gevolg om die reden rede Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
7
. |
LJN: BD0490, Gerechtshof Leeuwarden, 0700695
|
| | Datum uitspraak: | 23-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 25-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Personen-en familierecht |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Na ontheffing van de moeder van het gezag over een onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst kind (sinds de geboorte oefende de moeder van rechtswege alleen het ouderlijk gezag uit), krijgt de vader het gezag, terwijl het kind toch niet bij hem moet komen wonen. Het hof acht art. 1:274 lid 2 BW als criterium van toepassing en geeft Bureau Jeugdz... MeerNa ontheffing van de moeder van het gezag over een onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst kind (sinds de geboorte oefende de moeder van rechtswege alleen het ouderlijk gezag uit), krijgt de vader het gezag, terwijl het kind toch niet bij hem moet komen wonen. Het hof acht art. 1:274 lid 2 BW als criterium van toepassing en geeft Bureau Jeugdzorg twee maanden de tijd om afspraken te maken of anderszins een regeling te treffen om de verblijfplaats van het kind elders te garanderen. Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
8
. |
LJN: BD0483, Gerechtshof Leeuwarden, 0700508
|
| | Datum uitspraak: | 23-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 24-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Civiel overig |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Schending van essentiële vormen, zoals het recht op hoor en wederhoor, kan een reden zijn voor doorbreking van een appelverbod tegen een einduitspraak. Zonder de mogelijkheid van doorbreking zouden deze in eerste aanleg voorgevallen schendingen niet meer voor correctie in aanmerking komen. Wanneer echter geen sprake is van een einduitspraak, maar v... MeerSchending van essentiële vormen, zoals het recht op hoor en wederhoor, kan een reden zijn voor doorbreking van een appelverbod tegen een einduitspraak. Zonder de mogelijkheid van doorbreking zouden deze in eerste aanleg voorgevallen schendingen niet meer voor correctie in aanmerking komen. Wanneer echter geen sprake is van een einduitspraak, maar van een tussenbeslissing, zoals hier, kan de correctie nog in eerste aanleg plaatsvinden. Bovendien kunnen partijen op grond van artikel 194 lid 5 Rv zich tot de rechtbank wenden met het verzoek een andere deskundige te benoemen en hebben zij aldus de mogelijkheid om de gevolgen van een eventuele schending van essentiële vormen bij de benoeming van een deskundige te (doen) corrigeren, terwijl ook in een eventuele appelprocedure, nadat eindvonnis is gewezen, een andere deskundige benoemd kan worden. Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
9
. |
LJN: BD0480, Gerechtshof Leeuwarden, 0700068
|
| | Datum uitspraak: | 23-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 24-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Civiel overig |
| | Soort procedure: | Hoger beroep kort geding |
| | Inhoudsindicatie: | Het hof is voorshands van oordeel - evenals de rechtbank in het bestreden vonnis - dat niet uit de door [appellante] genoemde akten van 12 juni 1987, 2 december 1996 en/of 1 april 1998 een vestiging van de beweerde erfdienstbaarheid blijkt. Het hof begrijpt de toelichting op de grieven IV en V in combinatie met de algemene toelichting in de memorie... MeerHet hof is voorshands van oordeel - evenals de rechtbank in het bestreden vonnis - dat niet uit de door [appellante] genoemde akten van 12 juni 1987, 2 december 1996 en/of 1 april 1998 een vestiging van de beweerde erfdienstbaarheid blijkt. Het hof begrijpt de toelichting op de grieven IV en V in combinatie met de algemene toelichting in de memorie van grieven aldus, dat [appellante] zich in hoger beroep (mede) op het standpunt stelt dat gelet op hetgeen is neergelegd in de door [appellante] genoemde leveringsakten onder "Erfdienstbaarheden I." en "Erfdienstbaarheden II.", de beweerde erfdienstbaarheid (van rechtswege) is ontstaan op het moment waarop het onmogelijk werd om de westelijke weg te gebruiken. Het hof constateert echter dat uit het in de diverse akten bepaalde onder "D. Onder de navolgende bijzondere bepaling" blijkt, dat voor de gerechtigden tot het thans in eigendom aan [geïntimeerden] behorende perceel slechts de verplichting is opgenomen om mee te werken aan het vestigen van de door [appellante] bedoelde erfdienstbaarheid, aan welke verplichting bovendien een opschortende voorwaarde is verbonden. Ten aanzien van deze verplichting om mee te werken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid is voorts een kettingbeding opgenomen. Wat betreft het in de diverse akten onder "Erfdienstbaarheden I" bepaalde, merkt het hof op, dat het hier een andere erfdienstbaarheid betreft dan de onderhavige erfdienstbaarheid, waarop [appellante] zich beroept, en wel een ten behoeve van - en niet ten laste van - het thans bij [geïntimeerden] in eigendom toebehorende perceel. Minder |
|
|
 |
 |
 |
|
10
. |
LJN: BD0471, Gerechtshof Leeuwarden, 0600320
|
| | Datum uitspraak: | 23-04-2008 |
| | Datum publicatie: | 24-04-2008 |
| | Rechtsgebied: | Handelszaak |
| | Soort procedure: | Hoger beroep |
| | Inhoudsindicatie: | Met zijn eerste drie grieven bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat - ook volgens [appellant] - het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer komt vast te staan dat [betrokkene] met de BV een huurovereenkomst heeft gesloten. Ook wordt opgekomen tegen de daaraan door de rechtbank verbonden processuele consequenties. Het h... MeerMet zijn eerste drie grieven bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat - ook volgens [appellant] - het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer komt vast te staan dat [betrokkene] met de BV een huurovereenkomst heeft gesloten. Ook wordt opgekomen tegen de daaraan door de rechtbank verbonden processuele consequenties. Het hof ziet het belang van deze grieven niet in, aangezien honorering ervan slechts een argument kan opleveren voor afwijzing van de vordering van [appellant] voor zover die op het bestaan van die huurovereenkomst is gebaseerd. Wat [appellant] verder bedoelt met zijn opmerking dat, beoordeeld naar het moment van het inroepen van de ontbinding, en afgezien van die huur, wel degelijk sprake was van een toerekenbare tekortkoming, en dat de rechtbank dat volgens hem heeft miskend, wordt in de grieven niet toegelicht. In zoverre voldoen ze niet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid en kenbaarheid (vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 76 en HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 620). Minder |
|
|