LJN: BQ7056, Hoge Raad , 11/00241Print uitspraak
Datum uitspraak:14-10-2011
Datum publicatie:14-10-2011
Rechtsgebied:Civiel overig
Soort procedure:Cassatie
Inhoudsindicatie:Vervroegde onteigening. Cassatie. Niet-ontvankelijkheid. Cassatieverklaring en dagvaarding niet betekend aan wederpartij binnen in art. 54l lid 1 Ow. bepaalde termijn van twee weken. Griffier behoort in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet bedoelde verklaring desgevraagd onverwijld aan onteigenende partij af te geven, ongeacht betekening cassatieverklaring en dagvaarding na afloop twee weken termijn art. 54l lid 1 Ow. Voor opvatting dat vonnis vervroegde onteigening, indien griffier nalaat verklaring af te geven, nog kan worden ingeschreven binnen twee maanden na niet-ontvankelijkverklaring onteigende partij in cassatie, biedt art. 54m Ow. geen ruimte.
Vindplaats(en):NJ 2012, 288 m. nt. P.C.E. van Wijmen
NJB 2011, 1885
Rechtspraak.nl
RvdW 2011, 1249
Uitspraak
14 oktober 2011
Eerste Kamer
11/00241
DV/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiser 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Noord-Brabant,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Staat heeft bij exploot van 15 juli 2010 [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen vanaf kilometer 116.500(aftakking bestaande Zuid-Willemsvaart) tot kilometer 125.480 (aansluiting Maas), met bijkomende werken, in de gemeenten Sint-Michielgestel en 's-Hertogenbosch, ten algemenen nutte en ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven onroerende zaak en gedeelten van onroerende zaken waarvan [eiser] c.s. als eigenaren zijn aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.
Bij vonnis van 10 november 2010 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. vastgesteld op € 1.197.500,--. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[eiser] c.s. hebben tegen het vonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep.
[eiser] c.s. hebben in het incident met betrekking tot de ontvankelijkheid geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in, dan wel ontzegging aan de Staat van het exceptieve ontvankelijkheidsverweer.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep.
De advocaten van de Staat hebben bij brief van 10 juni 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1 Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 november 2010, waarbij die rechtbank op vordering van de Staat op de voet van art. 54f Ow. bij vervroeging de onteigening heeft uitgesproken van het perceel en de perceelsgedeelten als in het vonnis vermeld, met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling. Dit is een vonnis als bedoeld in art. 54i Ow., waaraan niet afdoet dat in het dictum ervan niet vermeld is dat de onteigening bij vervroeging wordt uitgesproken, noch ook dat de rechtbank niet heeft voldaan aan een verzoek dat [eiser] c.s. op 12 oktober 2010 tijdens de pleidooien voor de enkelvoudige kamer van de rechtbank hebben gedaan om de zaak voor de voortzetting van de pleidooien naar de meervoudige kamer te verwijzen.

3.2 De Staat heeft de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. ingeroepen op grond van de omstandigheid dat de cassatiedagvaarding te laat is uitgebracht, nu deze na de op 22 november 2010 ter griffie van de rechtbank afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l lid 1 Ow. voorgeschreven termijn van twee weken maar eerst op 4 januari 2011 aan de advocaat van de Staat is betekend. [eiser] c.s. hebben betoogd dat de Hoge Raad moet voorbijgaan aan dit beroep van de Staat op niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. omdat de op 21 januari 2011 genomen conclusie waarin de Staat dat beroep heeft gedaan niet voldoet aan het bepaalde bij art. 411 Rv. als geldende sedert 1 januari 2011.
Dit betoog kan [eiser] c.s. niet baten, nu de Hoge Raad ook ambtshalve onderzoekt of het cassatieberoep ontvankelijk is.

3.3 Door de op 22 november 2010 ter griffie van de rechtbank afgelegde verklaring dat [eiser] c.s. beroep in cassatie instelden tegen het vonnis van 10 november 2010, hebben [eiser] c.s. tijdig, immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 Ow., die afliep op 24 november 2010, cassatieberoep ingesteld. Wordt echter een dergelijke verklaring ter griffie niet binnen de in art. 54l lid 1 Ow. bepaalde termijn van twee weken aan de tegenpartij betekend met ontwikkeling van de gronden der cassatie en vergezeld van dagvaarding, dan gaat het vonnis alsnog in kracht van gewijsde. Nu in dit geval de in art. 54l lid 1 voorgeschreven termijn van twee weken op 8 december 2010 is verstreken zonder dat betekening van de cassatieverklaring en dagvaarding hadden plaatsgevonden, ging het vonnis van vervroegde onteigening op 9 december 2010 in kracht van gewijsde met alle in art. 54m geregelde gevolgen van dien.

3.4 Opmerking verdient hierbij nog het volgende. Indien een vonnis van vervroegde onteigening als bedoeld in art. 54i in kracht van gewijsde is gegaan doordat de tijdig ter griffie afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l lid 1 bedoelde termijn van twee weken is gevolgd door betekening daarvan aan en dagvaarding van de onteigenende partij, behoort de griffier de in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet bedoelde verklaring desgevraagd onverwijld aan de onteigenende partij af te geven, ongeacht of na afloop van de termijn van twee weken van art. 54l lid 1 alsnog betekening van de cassatieverklaring en dagvaarding in cassatie mocht hebben plaatsgevonden.
Voor de opvatting dat het vonnis, indien de griffier nalaat de bedoelde verklaring af te geven, nog in de openbare registers kan worden ingeschreven binnen een termijn van twee maanden nadat de Hoge Raad de onteigende partij in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard, biedt art. 54m geen ruimte.

3.5 [eiser] c.s. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 755,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.
Conclusie
11/00241
Mr L. Strikwerda
Zt. 27 mei 2011

conclusie inzake

1. [Eiser 1]
2. [Eiser 2]
3. [Eiser 3]

tegen

de Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. Eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., hebben bij exploot van 4 januari 2011 aan verweerder in cassatie, hierna: de Staat, betekend een afschrift van een akte, opgemaakt door de griffier van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 november 2010, blijkens welke akte beroep in cassatie is ingesteld tegen het onteigeningsvonnis van genoemde rechtbank van 10 november 2010, gewezen tussen de Staat als eiser en [eiser] c.s. als gedaagden. Bij het exploot is de Staat tevens gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 21 januari 2011.

2. De Staat heeft bij conclusie van antwoord primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep geconcludeerd.

3. [Eiser] c.s. hebben bij conclusie van antwoord in het incident m.b.t. ontvankelijkheid het door de Staat aangevoerde ontvankelijkheidsverweer bestreden.

4. Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd voor arrest in het ontvankelijkheidsincident.

5. De Staat heeft zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep gegrond op de omstandigheid dat de cassatiedagvaarding niet tijdig zou zijn uitgebracht. Daartoe heeft de Staat gesteld dat hij bij de inleidende dagvaarding bij vervoeging een uitspraak over de onteigening heeft gevorderd, zodat het hier gaat om een geval als bedoeld in art. 54f Onteigeningswet (Ow). Gelet op het bepaalde in art. 54l lid 1 jo. art. 53 lid 1 Ow bedraagt de termijn in dat geval twee plus twee weken: uiterlijk binnen twee weken na de datum van het vonnis dient de verklaring inhoudende dat cassatieberoep wordt ingesteld te worden afgelegd en binnen twee weken na het verstrijken van de termijn voor het afleggen van die verklaring dient de cassatiedagvaarding uiterlijk te worden betekend. De termijn verstreek derhalve op 9 december 2010, zodat de cassatiedagvaarding, die pas op 4 januari 2011 is betekend, te laat is betekend, aldus de Staat.

6. [Eiser] c.s. hebben het ontvankelijkheidsverweer van de Staat op verschillende gronden bestreden. Zij hebben in de eerste plaats aangevoerd dat de conclusie van antwoord, waarbij de Staat zich heeft beroepen op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep, niet voldoet aan het bepaalde bij art. 411 Rv, zoals dit artikel sinds 1 januari 2011 na de wijziging bij de Wet van 30 september 2010, Stb. 715, luidt, nu de conclusie geen enkele motivering bevat met betrekking tot de conclusie tot verwerping van het beroep. Voorts hebben [eiser] c.s. aangevoerd dat het vonnis van de rechtbank niet is aan te merken als een vonnis houdende vervroegde onteigening als bedoeld in art. 54i lid 1 Ow waarop het bepaalde bij art. 54l lid 1 Ow van toepassing is te achten, aangezien in het dictum van het vonnis niet de vervroegde onteigening is uitgesproken. Ten slotte hebben [eiser] c.s aangevoerd dat het bestreden vonnis is gewezen met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en dat dit tot gevolg heeft dat het vonnis niet kan worden aangemerkt als een vonnis houdende vervroegde onteigening. Daarom is niet de verkorte termijn van art. 54l lid 1 Ow van toepassing, maar de gewone termijn van art. 53 lid 1 Ow, aldus [eiser] c.s.

7. Het ontvankelijkheidsverweer is door de Staat naar mijn oordeel terecht voorgesteld.

8. [Eiser] c.s. hebben op 22 november 2010, derhalve tijdig (art. 52 lid 2 Ow), de verklaring omtrent het instellen van beroep in cassatie ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch afgelegd. Ingevolge art. 53 lid 1 Ow dient deze verklaring binnen zes weken na afloop van de in art. 52 lid 2 Ow bedoelde termijn van twee weken met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij te worden betekend, vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting, welke na verloop van twee weken na de betekening plaatsvindt. Gaat het om een vonnis waarbij op de voet van de regeling in Afdeling 2 van Hoofdstuk IIIA van Titel I (art. 54f e.v.) van de Onteigeningswet vervroegde uitspraak over de onteigening is gedaan, dan zijn ingevolge art. 54l lid 1 Ow de artt. 52 en 53 Ow van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in het eerste lid van art. 53 Ow genoemde termijn (de termijn waarbinnen de betekening van de verklaring moet plaatsvinden) is verkort en slechts twee weken bedraagt.

9. Het vonnis van de rechtbank is een vonnis als bedoeld in art. 54i Ow, nu daarbij de vordering van de Staat tot het uitspreken van de onteigening bij vervroeging met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling is toegewezen. Anders dan [eiser] c.s. aanvoeren, doet daaraan niet af dat in het dictum van het vonnis niet vermeld is dat de onteigening bij vervroeging wordt uitgesproken. Zie HR 20 mei 2011, 10/04523, LJN: BP4803.

10. Dit brengt mee dat ingevolge art. 54l lid 1 Ow de in art. 53 lid 1 Ow bedoelde termijn twee weken bedraagt. Het vonnis is uitgesproken op 10 november 2010 zodat de cassatietermijn verstreek tweemaal twee weken na 10 november 2010, derhalve op 8 december 2010. De cassatiedagvaarding is op 4 januari 2011 aan de Staat betekend. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld, zodat [eiser] c.s. in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen.

11. De omstandigheid dat de conclusie van antwoord van de Staat niet zou voldoen aan het bepaalde bij art. 411 Rv, zoals [eiser] c.s. stellen, leidt niet tot een ander oordeel. De termijn voor het instellen van cassatie is immers van openbare orde, zodat de niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding ambtshalve wordt uitgesproken, ook indien de verweerder zich daarop niet of niet regelmatig heeft beroepen. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 65.

12. De omstandigheid dat het bestreden vonnis zou zijn gewezen met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, zoals [eiser] c.s. aanvoeren, kan evenmin afdoen aan het oordeel dat [eiser] c.s. in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen. Voor de door [eiser] c.s. verdedigde opvatting dat niet de verkorte termijn van art. 54l lid 1 Ow, maar de gewone termijn van art. 53 lid 1 OW geldt, indien een vonnis waarbij de onteigening bij vervroeging is uitgesproken met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel is gewezen, is in de Onteigeningswet of elders in het recht geen steun te vinden.

13. De slotsom is dat [eiser] c.s. de cassatiedagvaarding te laat aan de Staat hebben betekend en derhalve in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen.

14. De Staat heeft in zijn conclusie van antwoord onder 3.1 en 3.2 de Hoge Raad verzocht zich uit te laten over een vraag met betrekking tot de inschrijving van het onteigeningsvonnis in gevallen waarin, zoals in het onderhavige geval, een verklaring als bedoeld in art. 54l lid 1 jo. art. 52 Ow is afgelegd, zonder dat binnen de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow een cassatiedagvaarding is betekend. De vraag is of inschrijving van het onteigeningsvonnis in dat geval mogelijk zodra de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow is verstreken en of inschrijving van dat vonnis ook nog mogelijk is binnen twee maanden nadat door de Hoge Raad is bepaald dat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen.

15. In het reeds genoemde arrest van 20 mei 2011, 10/04523, LJN: BP4803, heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien de ter griffie van de rechtbank afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l bepaalde termijn van twee weken aan de tegenpartij wordt betekend met ontwikkeling van de gronden der cassatie en vergezeld van dagvaarding, het vonnis van vervroegde onteigening alsnog in kracht van gewijsde gaat, "met alle in art. 54m Ow geregelde gevolgen van dien". Naar mijn lezing betekent dit dat inschrijving van het onteigeningsvonnis mogelijk is daags nadat de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow is verstreken, dat voor de inschrijving de termijn geldt, bedoeld in art. 54m lid 1, 2 of 3 Ow, en dat, indien geen inschrijving plaatsvindt binnen die termijn, het bepaalde in de artt. 55 lid 2 of 59 Ow geldt (art. 54m lid 4 Ow).

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] c.s in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Naar boven