LJN: BN7086, Hoge Raad , 09/02843Print uitspraak
Datum uitspraak:16-11-2010
Datum publicatie:17-11-2010
Rechtsgebied:Straf
Soort procedure:Cassatie
Inhoudsindicatie:Redelijke termijn. Korting i.v.m. schending redelijke termijn op verbeurdverklaring? De HR hanteert als uitgangspunt dat geen vermindering – v.z.v. al mogelijk – wordt toegepast op een bijkomende straf, ook niet in een geval als i.c. waarin daarnaast niet een hoofdstraf is opgelegd. De HR volstaat gelet op de toepassing van art. 9a Sr met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Conclusie AG: anders.
Vindplaats(en):NJ 2010, 640
NJB 2010, 2245
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 1420
Uitspraak
16 november 2010
Strafkamer
Nr. 09/02843 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 8 oktober 2008, nummer 22/003546-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de omvang van de bijkomende straf van verbeurdverklaring en tot een vermindering daarvan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot verbeurdverklaring van een aantal op een lijst van inbeslaggenomen voormelde runderen (of de waarde daarvan).

2.2. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.3. Het middel is gegrond. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat geen vermindering - voor zover al mogelijk - wordt toegepast op een bijkomende straf. Dit is niet anders indien, zoals in dit geval, daarnaast niet ook een hoofdstraf is opgelegd. Er is daarom geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden zodat de Hoge Raad met dat oordeel volstaat.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.

Conclusie
Nr. 09/02843
Mr Jörg
Zitting 7 september 2010 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verzoekster is bij arrest van 8 oktober 2008 door de economische kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage schuldig bevonden aan milieudelicten (feiten 1, 2 en 3) en handelen in strijd met art. 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (feit 4). Ter zake van feit 4 heeft het hof de 54 in beslag genomen runderen (ter waarde van € 24.950,=) verbeurd verklaard; verder is verzoekster geen straf of maatregel opgelegd.

2. Namens verzoekster is het cassatieberoep ingesteld op 14 oktober 2008. De stukken zijn op 6 juli 2009 bij de strafgriffie van de Hoge Raad binnengekomen. Aldus is de door de Hoge Raad gestelde inzendtermijn van acht maanden met drie weken overschreden. Een bijzonder voortvarende behandeling binnen zestien maanden behoort niet (meer) tot de mogelijkheden.

3. Het enige middel van cassatie dat door mr. Spong, advocaat te Amsterdam, namens verzoeker is voorgesteld, is gericht tegen deze overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Aangezien alleen de bijkomende straf van verbeurdverklaring is opgelegd, wordt ter compensatie van de termijnoverschrijding verlaging van het aantal te verbeuren runderen dan wel van hun te verbeuren waarde verzocht.

4. In HR 24 oktober 2000, NJ 2001, 6 had de overschrijding van de redelijke termijn bij enkel een opgelegde verbeurdverklaring "en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden" geen ander gevolg dan dat de Hoge Raad haar constateerde, maar het naderhand gewezen overzichtsarrest HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 geeft over het al dan niet korten op bijkomende straffen geen uitsluitsel. Indien aan een verdachte zowel een hoofdstraf als een bijkomende straf is opgelegd, is wisselend beslist. In HR 5 december 2000, NJ 2001, 82 en HR 18 september 2001, nr. 02423/00, LJN ZD2837 (niet gepubliceerd) is op de bijkomende straf gekort en in HR 25 september 2007, LJN BA7692 werd volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.(1)

5. Volstaan met het constateren van de overschrijding komt mij niet als juist voor. Verbeurdverklaring is een vermogensstraf, bedoeld om een verdachte in diens vermogen te treffen. Dan leent die bijkomende straf zich ook voor verlaging teneinde de inbreuk op verzoekers recht op berechting binnen een redelijke termijn in voldoende mate te compenseren. Ik meen derhalve dat korting op de bijkomende straf in dit geval de aangewezen weg is. Als ik goed reken is de gemiddelde waarde van een in beslag genomen rund € 462,08. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de omvang van de bijkomende straf van verbeurdverklaring en tot een zodanige vermindering daarvan als Uw Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse van 1 juni 2010, zaaknr. 08/00875 (LJN BM6656), in welke zaak nog geen uitspraak is gedaan.

Naar boven